/noindex>


De inleiding van Handel en Wandel

Floris Tilanus leest zijn inleiding bij de daklijst met de beroemde woorden: De Cost Gaet voor de Baet Uyt. (foto Govert Driessen)

Dames en Heren, jongens en meisjes,
Welkom bij de vijfde editie van het Paleisje voor Volksvlijt, Welkom bij Handel en wandel, onze ode aan Amsterdam. Amsterdam groeide van niets uit tot het centrum van de wereld. Niet door het geweld van een veroverende koning of keizer, niet door het bekeren van vreemde volkeren tot het geloof van haar leiders. Het geweld van Amsterdam bestond uit haar handelsdrift, inventiviteit, doorzettingsvermogen en hebzucht.
Amsterdam werd groot door burgers die hadden geleerd om samen te werken in de strijd tegen het moeras waarin ze woonden. Ze hadden geleerd elkaar te helpen als je elkaar nodig hebt, en om elkaar niet te hinderen in wat jou niet hindert. Hun verlangen naar welvaart en stabiliteit moest niet verstoord worden door twisten over geloof of afkomst. Daarom waren Amsterdammers tolerant en open jegens immigranten met andere gebruiken en culturen. Als je die immigranten de kans geeft, brengen ze hun eigen expertise, hun eigen nering, hun eigen welvaart mee. En in die sfeer ontwikkelde Amsterdam zich tot een wereldcentrum van het denken over religieuze vrijheid, van individuele vrijheid, van de filosofie, van de cartografie en de uitgeverij.
Wij zijn het Paleisje voor Volksvlijt, wij zijn Elena Beelaerts (daar) en Floris Tilanus. We brengen u vandaag hopelijk een nieuwe blik op de stad. We brengen u muziek uit alle windstreken, allerlei muziek die in Amsterdam heeft geklonken: de muziek van Marokkaanse joden, die heel erg verwant is met de muziek van sefardische joden, van zeelieden, van bewoners van onze Caribbische kolonieën… U hoort Bart de Kater, Joris van Beek en Kay Krijnen. We brengen columns over de VOC en over vrij denken door Peter de Waard en Asis Aynan. U hoort Samira Dainan zingen, en leden van het Amsterdams Andalusisch Orkest.

Kay Krijnen, Bart de Kater en Joris van Beek vooraan in de stoet (foto Govert Driessen)

We nemen een kar in de vorm van het Paleis voor Volksvlijt mee op deze tocht en brengen die naar De Nederlandsche Bank, die vanavond zijn 200e verjaardag viert. Directeur Klaas Knot zal hem straks als geschenk op het Frederiksplein in ontvangst nemen, toegezongen door een gelegenheidskoor. Het Paleis voor Volksvlijt keert vandaag dus terug op de plaats waar het stond. Dat aan het eind. Maar nu eerst: het begin!

Denk even alles weg! Stel je voor: we staan hier in een rivier. Rondom ons, tot aan de duinen in het westen en de provincie Utrecht in het oosten ligt er uitgestrekt veen, met geel gras en vennetjes. Het is een godverlaten niets, zompig en soppend. Het is het jaar 1200. Hier is een rivier, daar stroomt hij uit in het IJ. Het water is breed. Langs de oevers lopen paden. Langs die paden staan schots en scheef wat boerderijen, elk op zijn eigen bultje, want het stroomt hier vaak over. Tussen de bultjes lopen sloten. Dat ene pad aan de ene oever wordt later de Warmoesstraat, die nu daar achter die huizen ligt. De Warmoesstraat, waar de rijkste handelaren van de stad de waren van achter hun huis vanuit de schepen in halen om ze voor aan de straat te verkopen.
Het andere pad aan de andere oever wordt de Nieuwendijk, achter de huizen van het Damrak. Maar nu is er nog niets.
Er wonen alleen boeren en vissers, het dorp heeft niet eens een naam. Utrecht is de dichtstbijzijnde echte stad. Het dichtstbijzijnde kasteel, dat van de heeren van Aemstel staat helemaal in Ouderkerk.

Het dorp groeit. De boeren ontginnen land door het water af te voeren met sloten. Dan kunnen er koeien grazen, gewassen worden verbouwd. Als het water weg kan, klinkt het land in. Het zakt en moet met dijken langs het IJ worden beschermd. Dan moet er ook een dam komen in de Amstel. Die wordt in 1250 gebouwd. De Dam scheidt het Rokin, nu opeens een binnenhaven, van het Damrak, nu opeens de buitenhaven van Amsterdam. Als je de rivier opvaart kun je binnendoor naar Zeeland. Als je het IJsselmeer uit vaart, ligt de Noordzee voor je open.
Op 15 maart 1345 gebeurt er een lucratief wonder. Een zieke man ligt op sterven. De priester geeft hem tot troost het laatste sacrament, waarbij hij een ouwel eet, een klein heilig plat stukje brood. Maar de man kotst alles uit. De meid ruimt de troep op en gooit het in het haardvuur. De volgende morgen ligt de ouwel gaaf in de as. Het onverbrande brood wordt naar de kerk gebracht, maar de volgende morgen is het terug in het huis! Daarom wordt op die plek een kerk gebouwd. Dit Mirakel maakt Amsterdam een bedevaartsstad: uit heel Europa komen nu mensen naar Amsterdam omdat ze geloven dat daardoor ook voor hun een wonder kan gebeuren. Amsterdam wordt bekend.
En dan ontdekken Amsterdammers een nieuwe manier om haring te vangen en te conserveren. Dat maakt Amsterdamse haring lekkerder, en hij blijft langer goed. Dat geeft een enorme impuls aan de handel. Als je die heerlijke haring wegbrengt, kun je iets anders mee terugbrengen. Amsterdamse schepen varen al snel over de Oostzee, met bier, lakense stof, groene zeep, hout, graan, je kunt het zo gek niet bedenken… Amsterdam wordt rijk.
In 1585 valt Antwerpen, de grootste handelsstad van Noord-Europa, in handen van de katholieke Spanjaarden. Protestantse Antwerpenaren, rijke handelslieden met enorme kennis van geldzaken, vluchten naar Amsterdam. De blokkade van de Schelde – door Hollandsche en Zeeuwse schepen – legt Antwerpen lam.

Kijk daar! Daar, achter de nieuwe brug, ligt de haven van Amsterdam. Je ziet er duizenden masten van schepen die van heinde en verre zijn gekomen. Dit is nu de belangrijkste haven van het westen, van de hele wereld.
En die handel, vragen sommige Amsterdammers zich af, kan die niet nog beter?

Tijd voor muziek, tijd om te gaan lopen. Wilt u mij maar volgen?